ZOMER 1954
De avond was stil. Er lag een inktzwarte deksel boven het dorp dat na lag te zweten van een veel te warme dag, waarin alles tot stilstand was gekomen. Het was beklemmend stil. Elke beweging kostte te veel inspanning. Geen vliegende zwaluw. Geen merel, geen mus.
Ik zag moeder met vrouw Hendriks praten, ze zaten op de stoep voor de keuken, met natte handdoeken over hun hoofd. Ik hoorde hen niet, hun stemmen dreven weg in luchtbellen, alsof wij in water leefden. Ik maakte mijn mond open en dicht, gorgelde keelgeluiden, om mezelf te horen, maar er zaten proppen in mijn oren.
Ik zag Lientje naar mij toelopen, ze kwam van de straat, ze riep wat, ik hoorde het niet. Aan de bewegingen van haar mond zag ik dat ze riep dat ze …. dat ze … het bleven flarden van woorden die tussen haar lippen bleven hangen … dat ze … ik … ga naar de … bank … , dat moest het zijn. Zij wilde dat ik met haar naar de bank van de steenfabriek ging, ik wilde wel, maar mijn benen wilden niet bewegen. Ze waren loom en vadsig.
Een laatste streep licht van de zon trok een lijn vanachter de donkere wolken, messcherp, alsof het dorp in tweeën werd gesneden, precies door het dak van het huis van vrouw Hendriks, door de boomgaard, over de mossige muur van het kerkhof, het laatste licht haakte zich vast aan de bliksemafleider hoog op de schoorsteen van de steenfabriek, sprong over naar het kruis op de kerktoren en dook weg in de donkere wolken. Nooit eerder had ik zo’n mooi en dartel schouwspel van licht gezien.
Ik zag dat Lientje naar mij toe kwam lopen, vertraagd, haar rechterbeen ging omhoog, de knie kwam te voorschijn onder haar jurk, toen zakte het been langzaam en zwaar, als een stuk hout dat in water zinkt maar net hard genoeg terug vecht om weer boven te komen, en weer zinkt en weer opkomt. Lopend leunde ze een beetje naar voren, bijna viel ze om, ik kreeg een stomp in mijn maag, maar haar linkerbeen ging langzaam naar boven, haar linkerknie verscheen onder haar jurk, de beweging hield haar nog net in evenwicht, het ene been neer, het andere op, ik kende de littekens op haar knieën.
Ze riep … aan de bewegingen van haar mond zag ik dat ze … kom … kom je … riep. Het was gek dat ik haar niet hoorde, maar wel haar stem herkende, zoals ik altijd de stem van mijn vader hoorde als ik aan hem dacht, een stem die verankerd zat in mijn hoofd, ik was vaak bang dat ik die stem kwijt zou raken.
Even sloot ik mijn ogen, denkend aan bewegen, ik wilde bewegen, naar haar toe, om mijn voet op te tillen, om naar haar toe te lopen. Ik opende mijn mond en wilde roepen….mijn keel gorgelde … ja, ik kom … wilde ik roepen, met ver open mond, zodat ze, als ze mij niet kon horen, aan mijn lippen kon zien dat ik … ja, ik kom … had geroepen.
Een paar druppels regen vielen op mijn arm, op mijn hand, alles geluidloos. Wind stak op, de witte rozen bogen hun nederige bloemen naar de aarde, die droog als poedermeel was. Ik zag hoe de druppels in het zand ploften en zich vastbeten. Ik zag dat Lientje weer dichter bij mij was, hoe haar rechterbeen weer omhoog ging, haar knie, hoe de jurk achter haar aan wolkte, haar lange haren wapperden rond haar hoofd, haar armen zwaaiden, langzaam, alsof ze door het kanaal zwom, zo traag.
Kwam zij echt naar mij toe hollen?
Hoe kwam het dat ik alles zag in vertraging, door een traagheid die ik wel eens zag aan mensen die dronken waren, of heel oud, zoals grootmoeder die elke beweging moest overdenken omdat alles haar inspanning kostte, hoe langzaam ze opstond van een stoel, haar hand naar de tafelrand greep, en geen houvast vond maar weggleed.
Kom je … ze was nu heel dichtbij … wat is er met jou?… ik zag hoe groot haar ogen waren, ik voelde hoe ze me om de hals viel, haar armen op mijn rug, haar haren in mijn gezicht. Ik probeerde mijn armen omhoog te halen om haar te omarmen, maar ik was door de hitte bevroren. Ik zag dat moeder en vrouw Hendriks naar ons keken, zonder te bewegen, ze zeiden iets, dat zag ik aan hoe hun monden bewogen. Ze zeiden iets over ons, dat was zeker, maar ik hoorde niets, hun stemmen dreven weg als luchtbellen in water, losten op in de regen die plots over ons heen viel, in stromen, zodat wij daar maar zo bleven staan. Er plofte wat in mijn oren, ik kon weer horen … waarom kwam je niet … hoorde ik Lientje zeggen, maar ze zei zo maar wat, haar haren hingen in natte slierten in mijn gezicht, en ze lachte.