ALLERZIELEN
We stonden bij het graf van vader, grootmoeder en ik. Ze steunde op mij, ze hing een beetje aan mijn arm omdat ze weer wat kleiner was geworden, en ik weer een beetje groter. De witte chrysanten waren bruin bekrast door nachtvorst, de paarse chrysanten waren nog helemaal gaaf en niet gestraft door de vorst omdat ze nooit mooi waren geweest.
Vrienden van het voormalige verzet hadden een krans van hulst met rode bessen en papieren anjers op het graf gelegd, net als bij het graf van Mathias Dorssers, de stille buurman van vader. Theike, zijn zoontje, hij zat een klas lager op school, en zijn kleine broer Bart, en zijn zussen, stonden bij het graf van hun vader en baden de rozenkrans. Ik hoorde hen niet, bij veel graven stonden mensen luidkeels te bidden, we hoorden hoe bedroefd ze waren.
‘Ter herinnering aan uw eeuwigen trouw’ stond op de linten van vader en van zijn stille buurman Mathias. Er zat wat zand aan de linten. Dat hoorde zo.
‘Moeten wij niet bidden?’ fluisterde ik. ‘Wij zijn toch ook bedroefd?’
‘Je hoeft hier nergens voor te bidden,’ zei grootmoeder, die een witte zakdoek voor haar mond hield, omdat de duizenden chrysanten op het kerkhof stonken naar de dood. ‘Hier moeten we onze geliefden gedenken.’
Ik dacht vaak aan vader. Meestal als ik aan hem dacht, zag ik hem in de keuken staan, in de vroege ochtend, als hij zich stond te scheren, zijn gezicht bedekt met schuim, in zijn onderhemd, waarover de bretels. En ik in de spiegel zag dat hij soms naar mij keek, en ik soms naar hem keek, en dat onze ogen elkaar troffen in de spiegel, gekruiste blikken. Hoe wij zo naar elkaar keken, soms. Dat zag ik altijd terug, als ik aan hem dacht, hoe wij elkaar in de ogen keken, toevallig, als hij het mesje omhoog haalde en een dikke laag schuim aan het mes bleef hangen en op het aanrecht klodderde, omdat hij langer naar mij keek dan naar het mesje, het mesje stokte, hij weer naar mij keek, ik naar hem. Ik achter de tafel, achter mijn bord met brood en een beker melk, en hij het mesje naar beneden haalde, weer een baan scheerschuim weg. Langzaam werd zijn gezicht aan de linkerkant schoon en glad, de andere helft zat nog onder het schuim. En ik zag dat hij lachte, een heel klein beetje, hij trok zijn bovenlip strak, gleed met het mesje langs zijn lip, spoelde de ene helft van zijn gezicht schoon met lauw water, voordat hij aan de rechterkant van zijn gezicht begon. Het mesje dat omhoog gleed, en stokte, doordat hij naar mij keek en dat ik hem in zijn ogen keek terwijl ik tegelijkertijd zag hoe lang zijn nekharen waren, en hij zag dat ik dat zag, nee, dat hoorde niet, en hij ze met één haal, zonder schuim, weg schoor. Deed dat geen pijn? Dat zag ik altijd als ik aan hem dacht. En dat ik dan opstond van tafel, omdat ik wist dat hij ziek was, maar dat ik dat niet kon geloven, zo’n sterke vader in zijn onderhemd met bretels, en dat ik dan vlug naar mijn kamertje liep, naar boven, om te huilen.
De kinderen van Mathias Dorssers waren klaar met de rozenkrans. ‘Wees gegroet Maria’. Verderop haalde een vrouw heel hoog uit, elke keer bij het ‘wees gegroet, Maria, vol van genade, de heer is met u, gij zijt gezegend onder de vrouwen…’
Ik was gezegend met grootmoeder, die aan mijn arm hing, een beetje wankel. We sloegen een kruis, en we liepen langzaam, niet breken grootmoeder! naar de laatste graven, waar een vriendin van haar lag, ook een meisje uit de Peel, die al dertig jaar dood was, maar waar grootmoeder elk jaar met Allerzielen een palmtakje op het graf legde. Vriendin tot in de dood. We kwamen voorbij de dodenkapel, de zon kwastte bleek licht op de hoge ramen, even zag ik mijn vader aan de andere kant van het glas staan, alsof hij door een spiegel heen keek, even stond hij daar naar mij te kijken, met zijn half geschoren gezicht, de andere helft vol schuim, toen was hij weer weg, weer terug naar zijn stille vriend Mathias Dorssers, die hij niet alleen kon laten.
In het spiegelende glas zag ik hoe grootmoeder aan mijn arm hing, heel raar dat ik nu een beetje groter was en zij een beetje kleiner.
Ergens op het kerkhof, tussen de zee van chrysanten, huilde een kind. En buiten het kerkhof, aan de andere kant van de muur, het moest in de tuin van de kolenboer zijn, hoorde ik een kind mee lachen met de wind. Dat vandaag een kind kon lachen, hoe vreemd.
We stonden stil bij het graf van de vriendin van grootmoeder, die al dertig jaar dood was, overleden in mei 1924, nog geen vijftig jaar oud, maar toch nog heel jong leek, omdat ze zo’n meisjesachtige naam had. Klaartje van Dool. Klaartje, met zo’n naam kon je niet oud zijn.
Grootmoeder bukte, breek niet grootmoeder! ik boog met haar mee. Voorzichtig legde ze het palmtakje tussen de viooltjes die over waren gebleven van de zomer, en nog altijd hun best deden, nog altijd klein en mooi en kleurig, klein bloeiend, veel mooier dan alle chrysanten, en nog altijd mooi in de herfst, voor grootmoeders vriendin Klaartje van Dool, een meisje uit de Peel, nog net geen vijftig jaar oud, dat toch voor altijd jong had moeten blijven.