ZOMER 1954
Ton blikt terug op een zomer uit zijn jeugd: “Hoe kwam het dat ik alles zag in vertraging, door een traagheid die ik wel eens zag aan mensen die dronken waren, of heel oud, zoals grootmoeder die elke beweging moest overdenken omdat alles haar inspanning kostte, hoe langzaam ze opstond van een stoel, haar hand naar de tafelrand greep, en geen houvast vond maar weggleed.”